Verbreden van de economische basis
Ger Vos, lid van het VIPEen paar jaar geleden opende (toen nog Staatssecretaris) Pieter van Geel op feestelijke wijze de tweede grote windmolen bij Jan Cees Vogelaar. De happening werd opgefleurd door een demonstratie van acrobaten te paard. Op het land van Jan Cees vinden regelmatig hippische activiteiten plaats. Is hij dan een paardrijdende energieleverancier? Nee, hij is melkveehouder. De paarden zijn vooral hobby en de energie levert hem een extra stevige basis onder zijn landbouwbedrijf. Dit is een beweging die volop aan de gang is in de landbouw. Energie, zorg, recreatie, verkoop aan huis en dergelijke. Een belangrijke drijfveer daarbij is: boeren willen blijven boeren en die verbrede economische basis vergroot ze de mogelijkheden daartoe. Die noodzaak is er vooral in kwetsbare gebieden, waar natuurlijke handicaps een maximale productie verhinderen. Boeren zijn vooral daar genoodzaakt ondernemer te worden, waarmee ik bedoel dat ze op zoek gaan naar andere, aan hun boerenbedrijf te relateren business. Ondernemer worden om te kunnen blijven boeren.
En de vissers willen blijven vissen. Daarmee onderscheiden ze zich dus niet van de boeren. Ook zij moeten werken in kwetsbare gebieden, die maximaliseren van de productie niet mogelijk maken. Kostenverlaging (o.a. op het vlak van energie), opbrengstverhoging door meer toegevoegde waarde te creëren en het voldoen aan eisen op het vlak van duurzaamheid. Zowel boeren als vissers zijn daar volop mee bezig. Maar als het gaat om het verbreden van het ondernemerschap lopen de wegen (nog?) uiteen.
Zowel in de workshop van het VIP op 3 november 2007 als bij de recente bijeenkomst met de klankbordgroep is gesproken over de verbreding in de visserij: van visser naar maritiem ondernemer. Bij de klankbordgroep gaf Niko Wijnolst aan, dat er uitstekende kansen liggen voor de visserij op andere maritieme gebieden. Ook zijn column op deze website gaat daarop in. De eerste reactie van vissers lijkt vooral te zijn: ik wil gewoon blijven vissen. Natuurlijk, geen onbegrijpelijke reactie. Maar de vraag is, net als bij een deel van de boeren, of op de lange termijn ‘alleen vissen’ voor alle vissers een voldoende economische basis geeft om ook daadwerkelijk te kunnen blijven vissen. Net als in de landbouw zal verbreding niet voor iedereen dé oplossing zijn, maar de kans dat het voor groepen vissers nieuwe perspectieven kan bieden lijkt me aanzienlijk.
Uiteindelijk ligt de verantwoordelijkheid om op een gezonde economische basis te kunnen blijven vissen bij de visser zelf. Mij valt op, dat er vaak naar de overheid wordt gewezen, ook als het gaat om de inzet van financiële middelen. Het lijkt mij goed om ons te realiseren dat de financiële overheidsinzet, gerelateerd aan de omvang van de sector, hoog is ten opzichte van andere sectoren. Vissers zullen wellicht stellen: maar dat is ook terecht, want die overheid legt ons allerlei beperkingen op. Maar daarin onderscheidt de visserij zich niet wezenlijk van andere sectoren, die eveneens binnen maatschappelijke grenzen moeten opereren. Het is prima, dat de overheid de helpende hand reikt om tot een gezond lange termijn perspectief voor de Noordzeevisserij te komen. Maar het is niet meer dan een helpende hand. Voor het lange termijn perspectief mag er niet (alleen) op de overheid vertrouwd worden. Uiteindelijk moet de sector daar zelf de verantwoordelijkheid voor nemen. En daarbij hoort volgens mij ook een afweging over de wijze waarop de economische basis kan worden versterkt. Daarvoor zijn nog de nodige stappen te zetten. Een goede verkenning van de economische kansen en het aanpassen van (een deel van de) vloot hoort daar waarschijnlijk bij. Windmolens en paarden aan dek zal vast niet aan de orde zijn, maar de vraag is wel: wilt u straks visser zijn of ondernemer?
Dr. G. Vos is directeur InnovatieNetwerk