Ex mare liberum, het einde van de vrije zee.
Leo Jansen, lid van het VIPIn de jaren ’90 van de vorige eeuw gaf ik het vak Milieutechnologie aan de Technologische Universiteit van Delft. Om de noodzaak van regelingen van de overheid uit te leggen hanteerde ik het zogenaamde prisoner’s dilemma. Als voorbeeld daarvoor gebruikte ik destijds, nu ruim 15 jaar geleden, de visserij. Wat doen ondernemers als ze (ieder voor zich) putten uit een gezamenlijke bron? Er zoveel uit mogelijk halen als je met de beschikbare middelen kan natuurlijk. Een welbekend verschijnsel in de economie. Zo is bij de opkomst van de textielindustrie, toen er sprake was van een grote vraag naar wol, het gemeenschappelijk gebruik van de weidegrond rond de dorpen te gronde gegaan. Ga maar na: de meest “hebzuchtige” boer kocht nog meer schapen en liet ze op de gemeenschappelijke weide grazen. Andere boeren wilden natuurlijk ook graag meer verdienen en kochten ook meer schapen. Totdat de weiden hiervoor te klein bleken en de kuddes achteruit gingen. Ieder voor zich werkte dus niet. Er moet dan iets geregeld worden, maar hoe en door wie. Hetzelfde zie je ook in de visserij. Het visbestand is te klein voor de capaciteit van alle vissers samen. Ze zijn elkaars gevangene. En als er zich één inhoudt, profiteert een ander. En niemand wil ‘gekke Henkie’ zijn.
Dan zijn er twee manieren om het te regelen. Als er weinig partijen zijn, kunnen er misschien onderling (vangst)afspraken gemaakt worden. Dit zie je bijvoorbeeld bij de pelagische visserij. Maar als er veel partijen zijn, die bovendien meerdere nationaliteiten hebben, dan is het onderling regelen vrijwel onmogelijk en moet er een overheid aan te pas komen, met regels. Het overtreden van de regels wordt gauw een sport, ook iets waarover je aan collega’s geen verantwoording hoeft af te leggen. Integendeel, je bent dan de ‘slimme jongen’, maar wel een die het behoud van een gezond bestand in gevaar brengt. Wat daarvan het gevolg kan zijn, heeft voormalig minister Gerrit Braks aan den lijve ondervonden toen hij het veld moest ruimen.
De historie gaat verder terug. In de jaren ’70 van de vorige eeuw, de tijd van het kabinet den Uyl en de jaren na het rapport ‘Grenzen aan de groei’ van de Club van Rome, kwam er verzet. Verzet tegen de intensieve veehouderij (vanwege de leefomstandigheden van dieren) en tegen de massaal groeiende zeevisserij in verband met het risico van het minimaliseren van de visbestanden. De ontwikkelingen waartegen werd geprotesteerd werd in beide gevallen gedreven door kredietverlening van de banken. Meer vermogen, een grotere actieradius en ook het stimuleren van de techniek van de boomkor. Aan de besommingen leek immers geen limiet verbonden en de bank verdiende eraan.
En dan komen er nog andere belangen om de hoek kijken: natuur en biodiversiteit. Dit leidt tot het inperken van het toch al krappe domein van de (kotter)vissers. Economie tegen ecologie, dat zou toch samen moeten gaan. Ongelijksoortige machten en belangen die uit één en dezelfde bron putten. Hoe dat te regelen? De overheid moet als een soort scheidsrechter optreden tussen partijen, onderzoek duurt (te) lang, de ngo’s worden ongeduldig. Hoe kom je daaruit?
Om te beginnen met vast te stellen wat de gezamenlijke doelen kunnen zijn. Voor de vissers is dit een vangst van goede kwaliteit, waarmee je een rendabel en duurzaam (= blijvend) kwaliteitsproduct in de keten kunt wegzetten. Voor de ngo’s en hun achterbannen is dit het in stand houden van een duurzame biodiversiteit en natuur. Zoek naar de mogelijkheden voor beiden: goed bestandsbeheer, voldoende reproductie, “bovenmaatse” vis, respect voor biodiversiteit en voldoende natuur en reproductiegebieden. Dat komt tot uitdrukking in de intenties in een convenant. Intenties die een goede basis zijn om samen verder te komen in een zee waarin je niet meer zomaar kunt doen wat je het beste uitkomt. Het VIP kan daarbij helpen de zaak te versnellen.
De visser van jager naar beheerder! Ex mare liberum.
Leo Jansen is voorzitter van Stichting De Noordzee